Artistes locaux

Jef Lambeaux

Jozef Maria Thomas Lambeaux naît à Anvers le 14 janvier 1852 d’un père wallon et d’une mère flamande. Très jeune, il excelle en dessin et débute sa formation sous les auspices de l’artisanat. Tour à tour, il travaille chez un fabricant de proues de navires, puis chez un ébéniste et enfin un tailleur de pierre. Il entre à l’Académie d’Anvers en 1861 où il s’oriente délibérément vers l’étude de la sculpture et de l’anatomie durant le cycle moyen. Il échoue à l’épreuve finale du prix de Rome, en 1873, alors qu’il est classé premier au concours préparatoire. Le thème de cette épreuve aurait laissé l’artiste perplexe face à la partie historique du contenu. En effet, Jef Lambeaux ne suis ni cursus primaire et encore moins d’études classiques, ce qui, néanmoins, ne l’empêche pas de faire montre d’intérêt à l’approche d’une culture qui lui a manquée.

Jozef Maria Thomas Lambeaux werd op 14 januari 1852 te Antwerpen geboren als zoon van een Waalse vader en een Vlaamse moeder. Al op jonge leeftijd blonk hij uit in tekenen en begon hij zijn opleiding onder auspiciën van het ambachtelijke bedrijf. Hij werkte achtereenvolgens in een atelier waar boegbeelden van schepen werden gesneden, daarna voor een meubelmaker en tenslotte voor een steenhouwer. In 1861 ging hij naar de Antwerpse Academie waar hij zich bewust richtte op de studie van de beeldhouwkunst en de anatomie. In 1873 slaagde hij niet voor de laatste proef voor de Prijs van Rome, terwijl hij voor de voorbereidende wedstrijd als eerste was geëindigd. Het thema van deze proef zou de kunstenaar met verbijstering hebben geslagen door het historische deel van de inhoud. Jef Lambeaux had immers geen basisschool gevolgd en al zeker geen klassieke studies, wat niet belette dat hij belangstelling ging tonen voor een cultuur die hij had gemist.

[Jef Lambeaux dessiné par Eugène Broerman, dans « Célébrités Nationales », Anvers, Dero Frères, 1893| Jef Lambeaux getekend bij Eugène Broerman, in « Célébrités Nationales », Antwerpen, Dero Frères, 1893]

 

En 1872, il quitte le domicile familial pour aller vivre dans un atelier, rue du Jardin, à Anvers. De 1874 à 1876, il expose successivement au Cercle artistique et littéraire et aux Salons de Bruxelles, d’Anvers et de Gand. Si sa maîtrise technique et son sens aigu du réalisme sont déjà bien présents, Jef Lambeaux ne brille pas encore par la force de ses compositions plus tardives.

Durant cette période, l’artiste déménage dans un autre atelier mis à sa disposition par un généreux mécène. C’est là qu’il ébauche son œuvre « Passions humaines », celle qui fera sa renommée internationale. La reconnaissance de la critique lui est désormais accordée mais les commandes ne suffisent pas à nourrir son homme. Les années 1870 restent pour lui une période de vaches maigres.

In 1872 verliet hij het ouderlijke huis om in een atelier in Antwerpen te gaan wonen. Van 1874 tot 1876 exposeerde hij achtereenvolgens in de Cercle artistique et littéraire en in de Salons van Brussel, Antwerpen en Gent. Hoewel zijn technisch meesterschap en zijn scherpe zin voor realisme al goed zichtbaar waren, schitterde Jef Lambeaux nog niet met de kracht van zijn latere composities.

In deze periode verhuisde de kunstenaar naar een ander atelier, dat hem door een gulle mecenas ter beschikking was gesteld. Daar maakte hij een schets van zijn latere werk « Menselijke Driften« , waarmee hij internationale bekendheid zou verwerven. De erkenning van de kritiek kreeg hij intussen maar de bestellingen volstonden niet om in zijn levensonderhoud te voorzien. De jaren 1870 waren voor hem magere jaren.

[Lettre de Jef Lambeau à M. et Mme De Ville Châtel, 1880. Archives communales de Saint-Gilles | Brief van Jef Lambeau aan de heer en mevrouw De Ville Châtel, 1880. Gemeentearchieven van Sint-Gillis]

 

Il décide de suivre son ami le peintre Yan Van Beers à Paris où il s’essaye à la peinture avant de rejoindre Gustave Vanaise. Il revient dans son pays natal en 1881 avec une nouvelle technique, la cire, qu’il travaille pendant quelques mois au musée Continental de Bruxelles. L’argent récolté lui permet de réaliser sa première œuvre à sensation, le « Baiser ». Il élit domicile à Saint-Gilles, à la Hollestraat, où l’attend le succès. Son atelier regorge de bustes, de statues, d’études et de plâtres.

Suite à une bourse allouée par sa ville natale, Jef Lambeaux se rend à Florence et à Rome où il découvre Michel-Ange qui va l’influencer dans ses compositions, notamment l’une des plus célèbres, La Fontaine de Brabo. Cette dernière fera de lui le sculpteur belge le plus connu de son temps.

Hij besloot zijn vriend en schilder Yan Van Beers te volgen naar Parijs, waar hij zich aan de schilderkunst zou wagen en in het atelier van Gustave Vanaise ging werken. In 1881 keerde hij terug naar zijn geboorteland met een nieuwe techniek, de verloren-was-methode, die hij gedurende enkele maanden in het Continental Museum in Brussel zou hanteren. Met het ingezamelde geld kon hij zijn eerste werk creëren dat voor beroering zou zorgen, de « Kus« . Hij vestigde zich in de Hollestraat in Sint-Gillis, waar hem succes wachtte. Zijn atelier stond vol met borstbeelden, standbeelden, studies en gipsbeelden.

Met een beurs die hij van zijn geboortestad had gekregen, trok Jef Lambeaux naar Firenze en Rome, waar hij Michelangelo ontdekte. Die zou een inspiratiebron zijn voor zijn latere composities, en vooral dan voor één van zijn bekendste, de Brabofontein. Dat laatste werk zou van hem de beroemdste Belgische beeldhouwer van zijn tijd maken.

[Fontaine de Brabo, Anvers. Source: be-monumen.be | Brabofontein, Antwerpen. Bron: be-monumen.be]

 

En 1885, deux nouvelles pièces voient le jour : Le cygne et Leda et Esope. Il enchaîne avec une exposition personnelle au Cercle artistique  et littéraire en 1886 et termine les modèles en terre de trois bourgmestres du 15ème siècle dont les bronzes sont installés en 1989 à l’hôtel de ville de Bruxelles. Cette même année, il présente un fusain sur carton de 12 m sur 8 m au Salon de Gand, image d’une œuvre testamentaire, les Passions humaines. Ce projet mettra 8 ans pour trouver sa forme définitive, celle d’un relief en marbre qui symbolise le bonheur et les péchés de l’humanité dominés par la mort. L’Etat belge se porte acquéreur de l’œuvre en 1889 afin de l’installer dans le parc du Cinquantenaire dans un pavillon conçu par Victor Horta. Provoquant un véritable scandale moral, le relief est emprisonné dans son habitacle à l’abri du regard du public. Aujourd’hui rouvert, il fait partie des Musés royaux d’art et d’histoire.

In 1885 ontwierp hij twee nieuwe stukken: Leda en de Zwaan en Aesopus. In 1886 hield hij een persoonlijke tentoonstelling in de Cercle artistique et littéraire en voltooide hij de kleimodellen van drie 15de-eeuwse burgemeesters, waarvan de bronsbeelden sinds 1989 het Brusselse stadhuis tooien. Datzelfde jaar presenteerde hij op het Salon van Gent een houtskool op karton van 12 m x 8 m, een afbeelding van een testamentair werk, de Menselijke Driften. Dit project zou pas 8 jaar later zijn definitieve vorm krijgen: dat van een marmeren reliëf dat het geluk en de zonden van de mensheid, gedomineerd door de dood, symboliseert. De Belgische Staat kocht het werk in 1889 om het in het Jubelpark, in een door Victor Horta ontworpen paviljoen te installeren.  Het reliëf zou voor een dermate schandaal zorgen dat het, buiten het zicht van het publiek, in het paviljoen zou worden afgeschermd. Vandaag is het opnieuw opengesteld en maakt het deel uit van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis.

[Le relief des « Passions humaines » | Het reliëf « De Menselijke Driften »]

 

Les années 1890 sont riches en reprises et approfondissements. Il revisite l’un de ses amours de jeunesse, la thématique des lutteurs envisagée sous diverses variantes. Trois grands monuments vont encore jalonner son œuvre : Le buste de Darwin, Prométhée et la Nymphe du Bocq. Jef Lambeaux va recevoir de son vivant 20 commandes monumentales pour l’espace public dont le Faune mordu, avènement de l’année 1903. Ses sculptures néo-baroques, pleines de sensualité et de chair, dans la veine de Rubens et Jordaens, s’entourent d’un parfum de scandale. Certaines se voient censurées ou remisées, comme la Nymphe du Bocq, dans les caves de l’hôtel de ville de Saint-Gilles jusqu’en 1976 à cause de détracteurs qui l’estiment indécente.

De jaren 1890 waren rijk aan bewerkingen en uitdiepingen. Met het thema van de worstelaars herwerkt hij in verschillende varianten, een van zijn jeugdliefdes. Drie andere grote monumenten in zijn œuvre zijn: Borstbeeld van Darwin, Prometheus en de Godin van de Bocq. Jef Lambeaux zou in zijn leven 20 monumentale bestellingen voor de openbare ruimte krijgen, waaronder de Gebeten Faun die het jaar 1903 zou inluiden. Zijn neobarokke sculpturen, vol sensualiteit en menselijk vlees, naar het voorbeeld van Rubens en Jordaens, baadden in een schandaalsfeer. Sommige werden gecensureerd of opgeborgen, zoals de Godin van de Bocq, die door critici die het onfatsoenlijk vonden, tot in 1976 naar de kelders van het stadhuis van Sint-Gillis werd verbannen.

[« La Déesse (ou Nymphe) du Bocq » dans la cour d’honneur de l’Hôtel de Ville de Saint-Gilles | « De Godin (of Nimf) van de Bocq » op het voorplein van het Stadhuis van Sint-Gillis]

 

En 1898, Jef Lambeaux est exproprié suite à l’aménagement du territoire communal. Il est relogé à ses frais rue Antoine Bréart où le Collège lui alloue une surface de 550 m2 dans un nouvel immeuble spécialement conçu pour lui. La commune lui promet de reconvertir son atelier en musée après sa mort à la condition d’y abriter suffisamment d’œuvres. Mais le contenu de l’atelier, déménagé mystérieusement, va disparaître sous les bombes de la Deuxième guerre mondiale.

In 1898 werd Jef Lambeaux onteigend na de ontwikkeling van het gemeentelijke grondgebied. Hij verhuisde op eigen kosten naar de Antoine Bréartstraat, waar het College hem 550 m2 ruimte toewees in een speciaal voor hem ontworpen nieuw gebouw. De gemeente beloofde hem zijn atelier na zijn dood om te vormen tot een museum, op voorwaarde dat hij er voldoende werken zou onderbrengen. Maar de inboedel van het atelier zou op mysterieuze wijze worden verplaatst en tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de bommen verdwijnen.

[Atelier et habitation de Jef Lambeaux, rue du Tyrol (aujourd’hui rue Antoine Bréart), 1901. Archives communale de Saint-Gilles | Werkplaats en woning van Jef Lambeaux, Tirolstraat (nu Antoine Bréartstraat), 1901. Gemeentearchieven van Sint-Gillis]

 

Jef Lambeaux décède le 5 juin 1908 à Bruxelles des suites d’une maladie. Aujourd’hui, l’hôtel de ville de Saint-Gilles abrite une trentaine de plâtres et de bronzes du célèbre sculpteur et lui a consacré une exposition en 2008.

Jef Lambeaux overleed op 5 juni 1908 in Brussel aan de gevolgen van een ziekte. Het stadhuis van Sint-Gillis huisvest momenteel een dertigtal gips- en bronsbeelden van de beroemde beeldhouwer, aan wie in 2008 een tentoonstelling werd gewijd.

[« Volupté », Escalier d’honneur, Hôtel de Ville de Saint-Gilles | « Wellust », Eretrap, Stadhuis van Sint-Gillis]

[Homme assis sur une chaise, autoportrait de Jef Lambeaux. Escalier d’honneur, Hôtel de Ville de Saint-Gilles | Man zittend op een stoel, zelfportret van Jef Jambeaux. Eretrap, Stadhuis van Sint-Gillis]

 

© Commune de Saint-Gilles | Gemeente Sint-Gillis

Laisser un commentaire