Heiligdommen en kerkhoven

De begraafplaats van Schaarbeek

De begraafplaats rond de Sint-Servaaskerk was te klein geworden en werd in de jaren 1860 verplaatst om ruimte te creëren voor een nieuwe urbanisatie in Schaarbeek. In 1866 werd dan eindelijk de nieuwe begraafplaats in gebruik genomen, in de buurt van de Haachtsesteenweg, in de wijk Terdelt (Godefroid Guffensstraat). In 1873 werd het kerkhof al uitgebreid, vervolgens in 1883 en nogmaals in 1898. De uitbreidingen van de gemeentelijke begraafplaats gaan gepaard met de steeds stijgende demografische curve van de gemeente [1].

[Een steeg van de oude begraafplaats, postkaart, zd, Iconografische verzameling (FG.A.CP.1935), Gemeentearchieven van Schaarbeek]

 

Om het plaatsgebrek op de begraafplaats op te vangen, was in 1880 al sprake van de oprichting van een begraafgalerij, naar het voorbeeld van andere Brusselse gemeenten[2].  Dit plan werd opgegeven. Maar na de Eerste Wereldoorlog werd het nieuw leven ingeblazen met het oog op de oprichting van een gedenkteken voor de soldaten die in de Grote Oorlog waren gesneuveld. De gemeentearchitect, Auguste Paillet, tekende de plannen voor de galerij in 1919 en later ook voor de uitbreiding ervan in 1922. Er werd voor het kroonstuk van de galerij een wedstrijd georganiseerd en de jury koos het project van Mathieu Desmaré [3].

[De crypte en de monument, plannen, 1922, Openbare werken archieven, Gemeentearchieven van Schaarbeek]

In januari 1920 was de begraafplaats dringend aan uitbreiding toe, en het college besloot tot verplaatsing. De eerste taak bestond uit de zoektocht naar een stuk grond. De keuze viel op een gebied in de gemeenten Evere en Sint-Stevens-Woluwe. De volgende stap was de verwerving van de gronden. De aankoop en onteigening van meer dan 200 percelen grond van verschillende eigenaren nam haast 20 jaar in beslag. De gemeente Schaarbeek kocht een stuk grond van 35 hectare, min of meer driehoekig van vorm, voor de aanleg van een nieuwe begraafplaats.

In een niet-ondertekend en ongedateerd rapport, waarschijnlijk van de hand van gemeentearchitect Fernand Delbrassine, wordt gewezen op het belang om voor dit soort werkzaamheden een beroep te doen op een “landschapsarchitect”. Ook de naam van François Dumileu, een Franse rotsbewerker die sinds 1896 in Brussel actief was en die reeds had meegewerkt aan de ontwikkeling van het Josaphatpark, verschijnt erin [4].  Delbrassine beschrijft zijn voorstellen (helaas hebben we de tekeningen niet) en legt ze uit:

Er zijn twee hoofdlanen die vanaf de twee uiterste ingangen naar een centrale rotonde leiden, omringd door een drievoudige rij van familiegraven die een ereveld vormen. In die rotonde is een platform aangebracht met een balustrade (exedra) en kunnen er ceremonies worden georganiseerd met toespraken. Achter het bomen- en struikenperk […], is een speciaal grasveld voorbehouden voor de strijders. Tot slot een omheining, bestaande uit een rij populieren en dennenbomen, die het geheel afsluit van de bewoners van de lanen aan de rand. De paden zullen worden verhard met dolomiet- of asfaltmortel [5], het hoofdpad met beton. Op de beschikbare grond komt een kwekerij. 

Om af te ronden stelt Delbrassine een reeks vragen, waarvan er ons drie heel interessant lijken. Ze weerspiegelen ook de bekommernissen van die tijd: “Moet er plaats komen voor een crematorium? Moet er een crypte worden gebouwd langs de muur van de begraafplaats van Brussel? Moet een ingang in de muur overwogen worden?”. In België werd crematie toegelaten vanaf 1932 en het eerste crematiecentrum werd in datzelfde jaar gebouwd in Ukkel. De crypte verwijst naar de crypte van het oude kerkhof en blijft een belangrijke troef bij de aanleg van de nieuwe begraafplaats. Een ingang via de aangrenzende begraafplaats van Brussel versterkt het beeld van een “dodenstad” – zoals we in een ander document kunnen lezen – van in totaal bijna 70 ha.

In het gemeentearchief werd een prachtig ontwerp teruggevonden. Dit aquarelplan in groene tinten verheldert de intenties van het nieuwe project. Hoewel van de hand van Delbrassine, neemt het voorstel veel van Dumilieus ideeën over. Het ontwerp wordt in de tekst echter niet verder gespecificeerd en er worden geen andere details gegeven. Er worden ook geen namen van bomen genoemd.

We komen binnen via een majestueuze laan met een dubbele rij bomen en daarachter enkele “luxegraven”, zoals het plan vermeldt. Deze hoofdlaan leidt naar een halve cirkel waar “eregraven” zijn aangelegd, waaronder die van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog, en waar zich een “monument voor plechtigheden” bevindt. De halve cirkel zelf is omringd door een dubbele bomenlaan. Dit hoofdgedeelte wordt omgeven door steegjes die een driehoek vormen, waarvan één zijde grenst aan de begraafplaats van Brussel, ook omzoomd door een dubbele rij bomen.

Er wordt een tweede halve cirkel met crypte uitgetekend in een tweede deel, meer aan de oostkant (links op de tekening). De paden in dit gedeelte maken brede bochten en verschillen aanzienlijk van het hoofdgedeelte, waar de driehoek en de geometrische vormen de ruimte ordenen. Hier is het centrum een grasveld. Er is ook een kwekerij gepland.  De snelle schets in zwart-wit geeft een beter beeld van de hoofdlaan, een met bomen omzoomde weg, waarin auto’s en voetgangers getekend zijn.  Een groot deel blijft ongebruikt. Er was discussie over de omvang van de begraafplaats.

[Project voor een nieuwe begraafplaats, plan, 1934, Openbare werken archieven, Gemeenterachieven van Schaarbeek]

 

Dit project raakte in vergetelheid omdat in juli 1937 bij koninklijk besluit, gevolgd door een tweede in mei 1939, toestemming werd verleend voor de onteigening van al deze gemeentegronden met het oog op de uitbreiding van het vliegveld Brussel-Haren. De gemeente probeerde op alle mogelijke manieren haar moeizaam verworven eigendom niet op te geven,  maar de oorlog naderde en de plannen voor de begraafplaats verdampten.

Pas na de oorlog kon de gemeente de plek, na talrijke stappen, terugwinnen. In het begin van de jaren 1950 kon men eindelijk weer aan de slag en het werk werd toevertrouwd aan landschapsarchitect René Pechère [6].

De landschapsarchitectuur is in lijn met die van de kerkhofparken. De paden zijn afgezet met zorgvuldig gekozen struiken en bomen, waardoor het zicht op de grafmonumenten wordt belemmerd.  De percelen zijn afgebakend met struiken of bomen die ruimtes willen afsluiten. Ligusterhagen van een meter hoog staan achter de rug aan rug geplaatste grafzuilen en accentueren zo de grafmonumenten.

[Een steeg van de nieuwe begraafsplaats, foto]

 

Voetnoten:

[1] In 1860, telde de gemeente 13.751 inwoners. In 1930 telde de gemeente 117.387inwoners. Deze cijfers zijn overgenomen uit « Het bouwerk en de bevolking in Schaarbeek », waterig tekening, 77 x 192 cm, Gemeente verzameling van Schaerbeek (voorgesteld aan het Maison Autrique en gepubliceerd in « Louis Bertrand et l’essor de Schaerbeek » [Catalogus van een tentoonstelling, Gemeentehuis van Schaarbeek, 6 april-24 mei 200], blz. 34-35).

[2] Laken in 1878, Molenbeek-Sint-Jan in 1880, Sint-Gillis in 1895, Sint-Joos in 1889, Watermael in 1920.

[3] We vinden dit beeldhouwwerk op de huidige begraafplaants. Het werd verplaatst naar de jaren 60’.

[4] Odile DE BRUYN, « Le béton dans l’art des jardins », in Les nouvelles du patrimoine. Béton et patrimoine, 2011, nr 132, blz. 48-51).

[5] We vinden dezelfde wegdek in het Josaphatpark.

[6] René Pechère, landschaparchitect, realiseerde in België en Europa meer dan 900 parken en tuinen. In Brussel : de tuin van de Kunstberg, de Botanische tuin, die van de « Cité administrative », die van de Huis van Buuren en nog die van het Erasmushuis.

 

De gemeentearchieven van Schaarbeek bedankt de auteur van dit artikel : Mvr Bénédicte Verschaeren.

© Alle rechten voorbehouden

Laisser un commentaire